|
Biobrandstoffen zijn vloeibare of gasvormige brandstoffen die gewonnen zijn uit biomassa. (VROM, 2005). Biomassa omvat al het organische materiaal dat afkomstig is van planten en bomen en kan specifiek `voortgebracht' worden voor energiedoeleinden, of kan het resultaat zijn van reststromen en afvalstromen. Ingeval het eerste worden er gewassen gekweekt, zoals olifantsgras, wilgen, suikerriet, koolzaad en zonnebloemen, die na de teelt worden omgezet in biobrandstoffen.
Ingeval het tweede worden organische restproducten (zoals houtsnippers, stro en bietenstaartjes), of organische afvalstoffen (zoals park en plantsoenafval, zaagsel, GFT en dunningshout) afkomstig uit de landbouw, bosbouw en aanverwante bedrijfstakken, of resulterend van industriële of huishoudelijke processen (zoals sloophout, mest, slachtafval, papier, frituurvet, slib en cacaodoppen) omgezet in biobrandstoffen. Deze organische restproducten en afvalstoffen bevatten dus in meer of mindere mate organisch materiaal dat ooit is geproduceerd door planten en bomen (ECN, 2005B). Biobrandstoffen kunnen fossiele brandstoffen, zoals gasolie, vervangen (het is dus geen brandstofbesparende techniek) en daarmee een bijdrage leveren aan het streven naar C02-reductie. Biobrandstoffen zijn namelijk in potentie C02-neutraal, doordat bij de verbranding ervan slechts C02 vrijkomt dat eerder door planten en bomen is opgenomen. Bij het gebruik van fossiele brandstoffen is dat anders, omdat verbranding van steenkool, olie en gas wel C02 toevoegt aan de atmosfeer en dus bijdraagt aan het broeikaseffect (ECN, 2005B).
Bron: Brochure "Brandstofbesparende en CO2-reducerende technieken in de binnenvaart", 2006 |